Een houten vloer leggen

Het leggen van parket is sterk afhanke­lijk van de tussen- of ondervloer. Vóór het leggen zijn er enkele belangrijke randvoorwaarden: kennis van de on­dervloer, de woning moet droog zijn, bij nieuwbouw moet de ruimte wind­en waterdicht zijn, de legtemperatuur mag niet lager zijn dan 10°C en zowel in een bestaande als een nieuwbouw­woning moet de relatieve vochtigheid tussen 50-70% liggen. Het vochtgehalte van parket dient 8-9% te bedragen. Voor de randafwerking kan men plin­ten, deklatten en profielen gebruiken.

 

Tussenvloeren

Bij sommige parketsoorten is het noodzakelijk eerst een tussenvloer aan te brengen. Deze kan van spaanplaat,triplex of MDF zijn; uitsluitend hard­board wordt afgeraden vanwege moge­lijk kraken. Men moet rekening houden met de hoofdrichting van het parket, zodat niet naad over naad wordt ge­legd. De tussenvloer kan op de onder­vloer worden gelijmd (de ondervloer moet de lijm wel kunnen absorberen), genageld of ook zwevend gelegd. De hoofdfuncties van een tussenvloer zijn: een egaliserende werking bij een niet geheel vlakke ondervloer en een goede bevestiging van zowel lijm als nagels. Egaliseren kan ook met zoge­naamde broodjes, die daarna vlak moeten worden geschuurd.
  

Houten ondervloeren

Houten ondervloeren moeten goed vlak liggen. Losliggende delen moeten worden vastgeschroefd, opstaande randjes weggeschaafd, eventuele on­effenheden weggewerkt en lak- of verf­lagen verwijderd. Men kan ze eventu­eel egaliseren met een estrik laag of een (voor)egalisatiepasta + plaatmate­riaal.
Bij goede houten ondervloeren van maximaal 100 mm breed is een tussen­vloer van 3 mm dik aan te raden. Zijn ze breder of slecht van kwaliteit, dan is het steeds ter beoordeling in hoeverre een dikkere tussenvloer van bijvoor­beeld hardboard/zachtboard, spaanplaat (10 mm dik) of triplex (8 mm dik) gewenst is. Indien men het parket rechtstreeks op de houten ondervloer legt, moet men het parket dwars of in een hoek op de naden daarvan leggen.
 

Estrik ondervloeren

Bij nieuwbouwwoningen waarvan de begane-grondvloer uit cement met zand bestaat, is de ondergrond vaak te nat (bouwvocht) om er parket op te lij­men. Estrik vloeren zijn dan een uit­komst. Ze zijn 20 à 25 mm dik en opge­bouwd uit materialen als leem, asfalt en cementmortel, met als toeslagstof­fen meestal zaagsel, zand, kurk en der­gelijke. Ze worden gespijkerd met ko­peren nagels. De randen zijn gevoelig voor beschadiging en kunnen daardoor geluidslekken geven.
Het parket mag pas worden gelegd als de estrik laag ten minste één maand en bij voorkeur twee maanden oud is. De vochtigheid ervan mag nergens hoger zijn dan 3%. Van een gips- of anhydriet­vloer, welke laatste steeds meer voor­komt in de nieuwbouw, mag het vocht­gehalte niet meer bedragen dan 0,6%.
 

Betonnen ondervloeren

Betonnen ondervloeren waarop direct een parketlaag wordt gelijmd, moeten vlak zijn. Zijn ze ruwen dus oneffen, dan moet men een dunne laag egalisa­tiepasta aanbrengen of broodjes toe­passen. Alvorens het parket te leggen, moet men het vochtgehalte controleren; dit mag hoogstens 3% zijn. Voor lamel parket geldt in ons land een toe­gestane onvlakheid van 3 mm per m (gespijkerd, losgelegd) of wan 2 mm (gelijmd).
 

Lijmen

Veel parketvloeren (larnel-, mozaïek-, planchetten parket, kopshoutenvloer) worden geheel gelijmd; tapis wordt gelijmd en gespijkerd. De te lijmen oppervlakken moeten zo vlak mogelijk zijn. Voorts moeten temperatuur en vochtgehalte in overeenstemming zijn met de lijmeigenschappen. De lijm­baarheid verschilt per houtsoort. Het is dus aan te bevelen de gebruiksaanwij­zingen van de fabrikant op te volgen.